De provincie tussen bereikbaarheid vandaag en mobiliteit morgen
De mobiliteitstransitie vraagt om bestuurlijke wendbaarheid
Mobiliteit | Overheden
Leestijd: 5 minuten
Opinie, Onderzoek
Een provinciale weg die vandaag wordt aangepast, ligt er waarschijnlijk nog als de mobiliteit fundamenteel veranderd is. Tegelijkertijd vragen inwoners en bedrijven nú om bereikbaarheid, betrouwbaar openbaar vervoer en oplossingen voor congestie. Dat maakt de mobiliteitstransitie tot een lastig bestuurlijk vraagstuk: hoe investeert u verantwoord in het mobiliteitssysteem van vandaag, zonder de mogelijkheden van morgen vast te zetten?
U bestuurt terwijl het systeem verandert
Neem een herkenbare provinciale corridor waar iedere ochtend files ontstaan. De voor de hand liggende vraag is hoe de doorstroming kan worden verbeterd: een kruispunt aanpassen, verkeerslichten slimmer aansturen, een bus sneller laten doorrijden of extra capaciteit realiseren.
Maar ondertussen verandert de context. Elektrische auto's stellen andere eisen aan energie-infrastructuur. Werkgevers beïnvloeden met thuiswerken en mobiliteitsregelingen de spitsvraag. Snelle fietsroutes vergroten het bereik van de fiets. Deelauto's en mobiliteitshubs kunnen de aansluiting tussen dorp, stad en OV veranderen. En zero-emissiezones in steden hebben consequenties voor regionale logistieke stromen.
Een provincie moet daardoor tegelijkertijd het bestaande systeem laten functioneren én rekening houden met een mobiliteitssysteem dat nog niet is uitgekristalliseerd. Juist daarin zit een fundamentele bestuurlijke spanning.
De organisatiewetenschap maakt onderscheid tussen exploitation en exploration. Lavie, Stettner en Tushman beschrijven exploitation als het benutten en verfijnen van bestaande kennis en competenties. Exploration draait juist om het zoeken naar nieuwe kennis, technologieën en relaties.
Vertaald naar de provinciale praktijk: verbeteren we de doorstroming op die drukke N-weg, of onderzoeken we ook hoe minder mensen op hetzelfde moment afhankelijk kunnen worden van die weg?
“Wie alleen het bestaande mobiliteitssysteem optimaliseert, kan ongemerkt ook de afhankelijkheid ervan optimaliseren."
Een betere oplossing is niet altijd een andere oplossing
Exploitation is overal in mobiliteit zichtbaar — en noodzakelijk. Denk aan het slimmer afstellen van verkeerslichten, beter voorspellend onderhoud aan bruggen en wegen, het optimaliseren van busdienstregelingen of het veiliger maken van een provinciale fietsroute. Bestaande infrastructuur en dienstverlening worden daarmee beter benut.
Exploration stelt andere vragen. Stel dat een bedrijventerrein dagelijks duizenden woon-werkbewegingen veroorzaakt. De exploitation-vraag is hoe die verkeersstroom efficiënter kan worden verwerkt. De exploratieve vraag is of werkgevers, vervoerders en overheden samen een mobiliteitsconcept kunnen ontwikkelen waardoor medewerkers minder afhankelijk worden van de eigen auto: bijvoorbeeld met een combinatie van een mobiliteitshub, hoogwaardig collectief vervoer, e-bikes en werkgeversregelingen.
Of neem logistiek. Het vervangen van dieselvrachtwagens door elektrische vrachtwagens maakt bestaand goederenvervoer schoner. Maar een andere vraag is of regionale goederenstromen anders kunnen worden gebundeld, waardoor minder voertuigbewegingen nodig zijn. Beide benaderingen hebben waarde. Maar ze lossen een ander probleem op.
De kunst is niet om overal te vernieuwen
Daarbij past een belangrijke nuance uit het onderzoek van Lavie, Stettner en Tushman. Exploration en exploitation hoeven niet overal tegelijkertijd en in dezelfde verhouding plaats te vinden. Dat biedt een interessant perspectief voor provinciaal mobiliteitsbeleid.
Een drukke provinciale weg tussen twee economische centra kan vooral vragen om betrouwbaarheid en optimalisatie. Op een andere corridor kan juist ruimte zijn om met werkgevers, gemeenten en vervoerders te onderzoeken of een mobiliteitshub gecombineerd met snelle fietsverbindingen en collectief vervoer de groei van autoverkeer kan beperken.
Ook binnen het openbaar vervoer kan dat onderscheid worden gemaakt. Op een drukke verbinding kan de opgave vooral liggen in het verbeteren van frequentie en betrouwbaarheid. In een dunbevolkt gebied met teruglopende reizigersaantallen kan juist onderzocht worden of flexibel vervoer, deelmobiliteit en betere aansluitingen op regionale knooppunten een ander model mogelijk maken.
De strategische vraag is dan niet: hoe innovatief is ons mobiliteitsbeleid? Interessanter is: op welke plekken willen we het bestaande systeem beter maken en waar willen we bewust ontdekken of een ander systeem beter werkt?
“Goed transitiebeleid innoveert niet overal, maar weet waar optimaliseren niet langer voldoende is."
Een pilot met deelmobiliteit is nog geen transitie
Hier gaat het in de praktijk gemakkelijk mis. Stel dat een provincie samen met gemeenten een mobiliteitshub ontwikkelt bij een regionaal OV-knooppunt. Er komen deelauto's, deelfietsen, laadvoorzieningen en goede aansluitingen op bus of trein. De eerste gebruikers zijn positief en de pilot wordt succesvol genoemd.
Maar wat gebeurt er daarna? Wordt de kennis gebruikt bij de inrichting van andere knooppunten? Verandert het provinciale investeringsprogramma? Wordt bij een volgende weguitbreiding opnieuw gekeken naar alternatieven? Worden concessievoorwaarden aangepast? Krijgen gemeenten andere mogelijkheden om woningbouw en mobiliteit gezamenlijk te ontwikkelen? Als dat niet gebeurt, is er wel geïnnoveerd, maar nauwelijks getransformeerd.
Hetzelfde geldt voor intelligente verkeerslichten, zelfrijdende shuttles, Mobility-as-a-Service, logistieke hubs of experimenten met flexibel openbaar vervoer. Een pilot bewijst hooguit dat iets onder bepaalde omstandigheden kan functioneren. De echte bestuurlijke test begint wanneer een innovatie consequenties krijgt voor regulier beleid, bestaande budgetten en eerder gemaakte keuzes. Daar raakt innovatievermogen aan transformatievermogen.
Van mobiliteitsbeleid naar adaptief vermogen
Provinciale bestuurders hoeven niet te voorspellen of de mobiliteit van 2040 wordt gedomineerd door elektrische auto's, autonoom vervoer, collectieve systemen, fietsen, deelmobiliteit of combinaties daarvan.
Belangrijker is voorkomen dat keuzes van vandaag de handelingsruimte van morgen onnodig beperken. Daarvoor zijn drie vermogens relevant.
Innovatievermogen betekent bijvoorbeeld dat een provincie niet alleen verkeersdata gebruikt om bestaande stromen beter te sturen, maar die informatie ook gebruikt om nieuwe mobiliteitsconcepten te ontdekken.
Transformatievermogen blijkt wanneer een succesvolle aanpak rond een mobiliteitshub, logistieke corridor of flexibel OV daadwerkelijk consequenties krijgt voor investeringsprogramma's, concessies en regulier beleid.
Alliantiekracht wordt zichtbaar wanneer provincie, gemeenten, Rijk, vervoerders, werkgevers, netbeheerders en marktpartijen hun afzonderlijke investeringsbeslissingen rond bijvoorbeeld laadinfrastructuur of regionale bereikbaarheid daadwerkelijk op elkaar weten af te stemmen. De kracht zit juist in de combinatie.
Stel daarom andere vragen aan de bestuurstafel
Neem bij de volgende bespreking van een mobiliteitsprogramma niet alleen de projectenlijst door. Kies bijvoorbeeld één drukke provinciale corridor en stel drie andere vragen.
- Wat optimaliseren we hier momenteel? Misschien verkeerslichten, kruispunten en wegcapaciteit.
- Welk fundamenteel alternatief onderzoeken we? Bijvoorbeeld een combinatie van werkgeversaanpak, snelle fietsroute, mobiliteitshub en hoogwaardig openbaar vervoer.
- Wat is ervoor nodig om daadwerkelijk van koers te veranderen als dat alternatief succesvol blijkt?
Juist die laatste vraag maakt het verschil tussen experimenteren en transformeren. De mobiliteitstransitie vraagt namelijk niet om één perfecte voorspelling van het toekomstige mobiliteitssysteem. Zij vraagt om provincies die bestaande mobiliteit betrouwbaar kunnen organiseren, nieuwe mogelijkheden gericht kunnen onderzoeken en succesvolle oplossingen daadwerkelijk onderdeel kunnen maken van het systeem.
De toekomst van mobiliteit hoeft u niet precies te voorspellen. U moet voorkomen dat besluiten van vandaag uw mogelijkheden van morgen onnodig beperken. Dat is een gesprek dat verder gaat dan afzonderlijke wegen, fietsroutes, concessies of mobiliteitshubs. Het gaat over het vermogen van de provincie om te navigeren door een systeemtransitie. Een goede aanleiding om binnen GS, directie en mobiliteitsorganisatie te onderzoeken hoe innovatievermogen, transformatievermogen en alliantiekracht vandaag samenkomen — en waar versterking nodig is.
Wetenschappelijke bron
Lavie, D., Stettner, U. & Tushman, M. L. (2010). Exploration and Exploitation Within and Across Organizations.
Lees ook:
Let's connect minds!
Heb je te maken met een complex vraagstuk? Kun je wel een nieuw perspectief gebruiken? Zoek je samenwerking bij het optuigen of doorontwikkelen van een nieuw initiatief? Laat het ons weten, we denken graag met je mee.
ONZE OPLOSSINGEN
Hoe ImpactMinds kan helpen
Innovatie
Om ook in de toekomst relevant te blijven en concurrentievoordeel te behouden, moet je als organisatie innoveren. Samen versterken we jouw innovatievermogen om je positie in de markt te waarborgen.
Tansformatie
In deze snel veranderende wereld moeten organisaties zich constant vernieuwen om toekomstbestendig te blijven. Succesvolle bedrijven anticiperen op morgen. Samen helpen we jouw transformatie vorm te geven.
Allianties
Samenwerking is de sleutel tot brede welvaart, unieke klantwaarde, en sterke regionale economie. Door sectoren te verbinden en kennis te delen, versnellen we transities en creëren toekomstbestendige oplossingen. Samen bereiken we meer.